Met de 204, 304 en 104 betrad Peugeot een geheel nieuw terrein: die van de kleine, voorwiel aangedreven auto met de motor dwars voorin. Het was een ontwerp waarmee Peugeot wederom veel succes oogstte.

Met de 204 kwam Peugeot in de lente van 1965, ruim 15 jaar na het afscheid van de 202, weer op de markt met een 6 CV -auto. De Franse firma sloeg er een geheel nieuwe richting mee in en kwam daarmee tegemoet aan de toenemende vraag naar handige, niet te grote wagens met veel interieurruimte bij betrekkelijk kleine buitenafmetingen. Alec Issigonis had reeds in 1959 met zijn Mini aangegeven hoe een dergelijke auto gemaakt moest worden. Hij plaatste de motor dwars voorin, met de versnellingsbak als het ware ingebouwd in het carter. Ook paste hij voorwielaandrijving toe. Dit ontwerp bespaarde zoveel ruimte, dat ook de auto zelf vrij kort kon blijven. Peugeot was na BMC en Autobianchi (met de Primula) de derde fabrikant die het idee in de praktijk omzette met de 204. Vijf jaar studie gingen eraan vooraf en met een flink aantal wagens reed men meer dan drie miljoen testkilometers. In totaal investeerde Peugeot 400 miljoen francs in het nieuwe model, een bedrag dat ongeveer overeenkwam met tienmaal de jaarwinst. Pininfarina ontwierp een goed geproportioneerde auto met een eenvoudige, maar toch elegante carrosserie. De wagen leek vooral dankzij het forse glasoppervlak groter dan hij was. Door de wielen bijna op de hoeken van de carrosserie te plaatsen ontstond een vrij lange wielbasis, die het rijcomfort ten goede kwam. Binnen had dat voor de chauffeur het voordeel dat hij geen last had van een wielkast, een euvel dat bij dergelijke kleine auto’s nogal eens voorkwam. Vier personen vonden er ruim plaats in en hadden ook geen problemen bij het instappen, dankzij de vier portieren. Het uitzicht was naar alle kanten voortreffelijk, temeer daar Peugeot
de tochtruitjes had weggelaten, omdat de automobilist verse lucht kon binnenkrijgen via luchtroosters in het dashboard. De 204 had rondom onafhankelijke wielophanging en hooggeplaatste schroefveren met daarbinnen telescoopschokdempers. Vóór werd het MacPherson-systeem toegepast met fusee, veer en demper in één geheel. Dwarsstabilisators werden in eerste instantie niet gebruikt, wat in de bochten goed te merken was. AI met al kon dan ook bepaald niet van een sportief weggedrag worden gesproken. Als men echter rustig reed, was het een goede en comfortabele auto.

 

De motor van de 204 was net als de auto een geheel nieuw ontwerp met voor die tijd talrijke interessante details. Hij was geheel vervaardigd uit aluminium (een Franse primeur voor een serie-auto) in een nieuwe fabriek in Mulhouse en was voorzien van verwisselbare natte cilinderbussen. Dat was gemakkelijk bij montage en revisie en bovendien kon Peugeot daardoor een open cilinderblok gebruiken. Zo’n blok leende zich uitstekend voor de moderne persgiettechnieken. De cilinderinhoud bedroeg 1130 cc, goed voor 58 pk bij 5800 toeren per minuut. Het hoge toerental vormde voor deze ‘overvierkante’ motor (boring en slag respectievelijk 75 en 64 mm) geen probleem, dankzij de bovenliggende nokkenas. Peugeot had het principe van de in V-vorm opgestelde kleppen, met het in- en uitlaatspruitstuk aan weerszijde van de cilinderkop, gehandhaafd. De maximumsnelheid van de 204 bedroeg ongeveer 140 km per uur, terwijl hij ook goed accelereerde. Een en ander ging overigens niet ten koste van de souplesse, Het was beslist niet nodig veelvuldig te schakelen. De motor stond 20 graden naar voren gekanteld onder de motorkap. Daardoor waren de voor service in aanmerking komende onderdelen over het algemeen gemakkelijk bereikbaar. Als eerste Peugeot kreeg de 204 vóór schijfremmen.

Helemaal volgens de traditie bood Peugeot aanvankelijk uitsluitend een berline te koop aan, die was voorzien van een schuifdak. Een half jaar na de introductie kwam men op de Autosalon van Parijs al met een breakuitvoering van de 204. Technisch gezien was deze wagen gelijk aan de berlinemodellen, maar achterin kon men aanzienlijk meer bagage bergen, vooral wanneer men de achterbanken had neergeklapt. De naar boven scharnierende deur garandeerde een goede toegankelijkheid. Dankzij de zwaardere banden kon het laadvermogen van de break ondanks zijn 50 kg hogere gewicht toch nog iets worden opgevoerd. Peugeot had de overbrenging niet speciaal aangepast aan het hogere gewicht. Tijdens de testritten kwam dat als een bezwaar naar voren: bij een vol beladen wagen moest men veelvuldig schakelen en flink doortrekken om de fut erin te houden.

FRAAI GELIJNDE COUPÉ

In het modeljaar 1967 bracht Peugeot een cabriolet en een coupé in de 204- reeks uit. Beide hadden een aanzienlijk kortere wielbasis dan de berline: 2,3 m in plaats van 2,59 m. Pininfarina had bij deze modellen de lijn van de berline grotendeels gevolgd, maar was er toch in geslaagd voor een apart karakter te zorgen. Vooral de coupé viel op door zijn bijzonder fraaie lijn. En dat was dan ook meteen wat de koper moest ‘verleiden’, want de coupé was geen haar sneller dan de vierpersoonsuitvoering. De koper betaalde in feite meer voor minder! Dat bezwaar gold voor de cabriolet natuurlijk in mindere mate. Daarbij ging het in de eerste plaats om het open rijden; snelheid was van minder belang. In de praktijk bleek de maximumsnelheid van deze 204 (138 km per uur met gesloten kap en 131 km per uur met open kap) ruim voldoende te zijn. Het windgeruis – of men nu open of dicht reed – nam namelijk bij hogere snelheden onevenredig sterkte toe. In 1968 werd de cabriolet ook met hardtop leverbaar. Peugeot had zich inmiddels een goede reputatie verworven als specialist op het gebied van snellopende dieselmotoren, nadat men in 1959 in de 403 voor het eerst een dieselmotor had toegepast. In de jaren ’60 pasten de meeste autofabrikanten nog maar zelden een dieselmotor toe. Peugeot en Mercedes Benz waren de enige merken die serieus een kleine dieselmotor bestudeerden. In de diesel modellen van de 403 en de 404 had men in het algemeen inmiddels behoorlijke vorderingen gemaakt op het gebied van lawaai- en stankbeperking, voorgloeien, prestatieniveau en dergelijke. Peugeot achtte de tijd rijp voor zo’n motor in de 204. Het werd een geheel uit aluminium vervaardigde motor van 1255 cc die 46 pk leverde bij 5000 toeren per minuut. Deze motor verschafte de 204-break als 5 CV-auto een maximumsnelheid van 128 km per uur. Hoewel deze motor ook voor de berline was ontwikkeld, was deze mogelijkheid niet direct beschikbaar. Integendeel, het zou tot 1975 duren, voordat deze dieselmotor voor de berline beschikbaar kwam! Net als de benzinemotor voor deze uitvoering was ook de dieselmotor voorzien van een bovenliggende nokkenas, een vijfmaal gelagerde krukas en een zelfdenkende ventilator. In de praktijk bleek de trekkracht bij lage toerentallen betrekkelijk goed te zijn, maar in de hoogste versnelling presteerde de motor niet zo goed. Vooral bij inhaalmanoeuvres vereiste dat de nodigde voorzichtigheid.

De 204 had in de loop van zijn bestaan al enige verbeteringen gekregen: nieuwe achterlichten (1967), gewijzigde aandrijfassen, volledig verstelbare rugleuningen, een instrumentarium met ronde klokken, bevestigingspunten voor veiligheidsgordels en een veiligheidsstuurwiel (1968) en, in 1969 ten slotte, stabilisatoren voor en achter. Daarmee was de wegligging aanzienlijk verbeterd. Een gewijzigde motorophanging zorgde voor een rustiger loop. Uiterlijk kon men de 1969-modellen herkennen aan de bumper, die over de volle lengte was voorzien van een rubber stootrand.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *